Categorie: Arbeidsrecht

Welke opsporingsmethoden mag de gemeente inzetten tegen bijstandsfraude?

U heeft het vast wel eens gehoord, een bijstandsgerechtigde wordt beschuldigd van bijstandsfraude. Er wordt een controle uitgevoerd en men blijkt bijvoorbeeld toch samen te wonen of heeft (zwarte) inkomsten, terwijl dit niet gemeld is. Dit zijn omstandigheden die maken dat de bijstandsuitkering lager kan worden of niet langer verstrekt hoeft te worden. Ook moet men soms de bijstand over het verleden terugbetalen en kan men een (hoge) boete krijgen.

In bepaalde gevallen stelt de gemeente een onderzoek in naar het recht op bijstand. Soms is dit nadat de gemeente een anonieme tip ontvangen heeft. In bepaalde omstandigheden wordt zelfs de sociale recherche ingeschakeld die bevoegdheden heeft op basis van het strafrecht. Maar wat mag de gemeente doen bij een vermoeden van bijstandsfraude?

Op grond van de wet en rechtspraak heeft de gemeente vrij ruime bevoegdheden. Zij mag een onderzoek instellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en andere gegevens die noodzakelijk zijn om het recht op bijstand vast te stellen. Zolang de wijze waarop het bewijs is verkregen niet indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid verwacht mag worden, kan er veel. Het privéleven van de bijstandsgerechtigde mag daarbij niet te zwaar getroffen worden in verhouding tot het doel. Een inbreuk op de privacy mag dus niet zomaar.

Soms gaat het mis bij de gemeente. Zoals ook blijkt uit een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter die over deze zaken oordeelt*. In dit geval kreeg de gemeente een anonieme tip dat de bijstandsgerechtigde zou samenwonen. De gemeente is vervolgens een onderzoek gestart naar bijstandsfraude. Dit heeft zij onder andere gedaan door waarnemingen te verrichten door middel van een technisch hulpmiddel. Op grond van deze waarnemingen en een later gehoor is de bijstand ingetrokken en werd de bijstand over een periode van ongeveer anderhalf jaar teruggevorderd.

Inmiddels is in de rechtspraak uitgemaakt dat het heimelijk inzetten van een technisch hulpmiddel in bepaalde omstandigheden onrechtmatig is (bijvoorbeeld constant cameratoezicht). Dit maakt namelijk een te grote inbreuk op de privacy. De onrechtmatige waarnemingen mogen daarom niet tegen de bijstandsgerechtigde worden gebruikt. Het maakt daarbij niet uit of uit de onrechtmatige observaties zou blijken dat de bijstandsgerechtigde samenwoont.

In de genoemde uitspraak was, nadat het technisch hulpmiddel gebruikt was, een verhoor geweest met de bijstandsgerechtigde. De Centrale Raad van Beroep heeft in deze zaak geoordeeld dat ook die verklaring niet meegenomen mag worden omdat deze enkel en alleen herleid kan worden tot de onrechtmatige waarnemingen. De verklaring is dus een vervolg op, en onlosmakelijk verweven met de waarnemingen die niet hadden mogen plaatsvinden. Ook de verklaring dient buiten beschouwing gelaten te worden.

{“type”:”block”,”srcIndex”:1,”srcClientId”:”1285ce9a-7c86-4ac8-bbe1-8900f6a2b2e9″,”srcRootClientId”:””}De bewijslast van een besluit tot stopzetting en intrekking van de bijstand ligt bij de gemeente. Nu zowel de waarnemingen als het verhoor buiten beschouwing gelaten moesten worden, was er geen bewijs van het al dan niet samenwonen en mocht de uitkering niet worden stopgezet. De Centrale Raad van Beroep komt niet toe aan de vraag of er nu wel of niet samengewoond werd, nu hier geen bewijs van was. De belanghebbende hoefde de ontvangen bijstand niet terug te betalen.

Uiteraard zijn er nog veel meer middelen die door de gemeente gebruikt worden om het recht op bijstand te beoordelen, en lang niet alle methoden zijn ontoelaatbaar. Hebt u te maken met dergelijke besluiten of hebt u naar aanleiding van een bepaald besluit of onderzoek vragen of wat de gemeente wel en niet mag? Schroom dan niet om contact met ons op te nemen om door te spreken wat de mogelijkheden zijn in uw zaak.

*1 CRvB 12 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3551.

Bijstandsfraude

Rechter veroordeelt werkgever tot schadevergoeding na weigering beëindiging slapend dienstverband

Afgelopen vrijdag, op 21 februari 2020, heeft de Rechtbank Noord-Nederland een werkgever veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan een langdurig zieke werknemer nadat deze werkgever had geweigerd om het slapende dienstverband met deze werknemer te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding.

Achtergrond

Waar ging het in deze zaak om? Een werknemer komt tijdens een potje bedrijfsvoetbal in 2000 ten val. Hij loopt daarbij een scheur op in zijn bekken waaraan hij heupklachten heeft overgehouden. Eind 2010 valt hij als gevolg van die heupklachten uit en begin 2011 krijgt hij een heupprothese. De revalidatie na deze operatie verliep moeizaam. Uiteindelijk blijkt een nieuwe operatie noodzakelijk. Maar de werknemer herstelt niet meer volledig. In januari 2013 wordt een WIA-uitkering aan de werknemer toegekend.

Tot re-integratie komt het niet. Werkgever en werknemer verschillen van mening over de mogelijkheden. Pas in mei 2016 concludeert een externe deskundige dat de werknemer niet meer kan worden herplaatst en dat is voldaan aan de voorwaarden voor ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Maar de werkgever laat de arbeidsovereenkomst met de werknemer voortbestaan. Ook nadat de werknemer heeft gevraagd om het dienstverband te beëindigen. Waarom? Sinds 1 juli 2015 moet een werkgever een vergoeding aan een werknemer betalen in geval van ontslag, een zogenaamde transitievergoeding. Die vergoeding is bedoeld ter compensatie voor het baanverlies en ter bevordering van de inzetbaarheid van de werknemer. Door de arbeidsovereenkomst met de werknemer in stand te laten, hoeft de werkgever geen transitievergoeding te betalen. Hij hoeft ook geen loon meer te betalen. De loondoorbetalingsplicht is al geëindigd na 104 weken ziekte (in 2013 in dit geval).

Weigering om slapend dienstverband te beëindigen onder toekenning van een vergoeding is onrechtmatig

De werknemer heeft zich uiteindelijk gewend tot de rechtbank. Hij verzocht om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst en daarnaast om een schadevergoeding. Volgens de werknemer heeft de werkgever onrechtmatig jegens hem gehandeld door te weigeren om het dienstverband te beëindigen onder toekenning van een vergoeding. De werknemer baseert zich daarbij op recente regelgeving, namelijk de Wet Compensatie (zie ons eerdere bericht), en een recente uitspraak van de Hoge Raad. Die oordeelde op 8 november 2019 namelijk dat:

als norm van goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW geldt dat een slapend dienstverband in beginsel behoort te worden beëindigd als de werknemer dat wenst en de werkgever geen redelijk belang heeft bij voortduring daarvan. Die norm brengt tevens mee dat in dat geval in beginsel door de werkgever aan de werknemer een vergoeding behoort te worden toegekend.

Met succes! Aan de werknemer is een schadevergoeding van € 51.955,00 bruto toegekend. Gelijk aan de hoogte van de transitievergoeding waar hij recht op zou hebben gehad als de arbeidsovereenkomst zou zijn beëindigd nadat in mei 2016 duidelijk werd dat de werknemer niet meer kon worden herplaatst. De Kantonrechter oordeelt dat de werkgever als goed werkgever op grond van de inmiddels ontwikkelde jurisprudentie had in moeten gaan op het voorstel van de werknemer om de arbeidsovereenkomst te beëindigen met toekenning van de wettelijke transitievergoeding.

De Kantonrechter passeert het verweer van de werkgever dat het hier een situatie van voor de invoering van de Wet Werk en Zekerheid betreft (en er dus geen transitievergoeding zou zijn verschuldigd). De Kantonrechter volgt de werknemer in de stelling dat er immers pas in 2016 zekerheid is gekomen over herplaatsing/re-integratie. Het verweer van de werkgever dat de werknemer een verkeerde procedure zou hebben gevoerd omdat een vordering op grond van 7:611 BW met een dagvaarding moet worden ingeleid, passeert de Kantonrechter eveneens.

Hiermee komt er meer duidelijkheid op de vraag of, en onder welke voorwaarden werkgevers verplicht zijn mee te werken aan de beëindiging van een slapend dienstverband.

Vragen of advies

Hebt u als werkgever of als werknemer te maken met een slapend dienstverband? Neem dan vooral contact met ons op voor advies en zo nodig juridische bijstand.

 

De volledige uitspraak kunt u hier lezen.

Alimentatie wijzigen, kan dat?

Over het algemeen geldt dat als er sprake is van een wijziging van omstandigheden de rechter een eerder vastgestelde alimentatie kan wijzigen. Degene die de wijziging wenst, moet in dat geval aankaarten en ook aantonen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden en vervolgens ook welke gevolgen deze wijziging heeft voor de hoogte van de verschuldigde alimentatie.
De rechter berekent aan de hand van de recente financiële gegevens welke onderhoudsbijdrage voortaan (dat wil zeggen: met ingang van de datum van de indiening van het inleidende verzoekschrift bij de Rechtbank) verschuldigd is.

De rechter wijst in een aantal situaties een dergelijk verzoek tot wijziging alimentatie af, bijvoorbeeld als:

  • er vast is komen te staan dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies (b.v. omdat degene die alimentatie moet betalen zomaar zijn/haar baan heeft opgezegd)
  • er sprake is van een zogenaamd herstelbaar inkomensverlies
  • het gaat om partneralimentatie en er sprake is van een niet-wijzigingsbeding.

Of hieraan is voldaan is per situatie en dus per zaak verschillend en moet dus beoordeeld worden aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

Ook de berekening van de alimentatie is en blijft maatwerk. Geen enkele situatie is exact gelijk en dus is ook geen enkele berekening exact hetzelfde.

U doet er dus altijd goed aan om contact op te nemen ons kantoor om uw situatie te laten toetsen.

Wij bespreken graag samen met u welke mogelijkheden u heeft als het gaat om de aanpassing van de door u te ontvangen of door u verschuldigde alimentatie.

 

Geen loon ontvangen? Denk eens aan een faillissementsaanvraag!

Heeft u uw loon niet op tijd ontvangen? Lees hier wat u dan kunt doen! Heeft u het vermoeden dat uw werkgever in financiële problemen verkeert en dat u wellicht de volgende maand(en) ook geen loon zult ontvangen? Een goede mogelijkheid om alsnog uw loon te krijgen is een faillissementsaanvraag.

Wanneer het vermoeden bestaat dat u uw loon niet meer zult ontvangen is het verstandig om op tijd actie te ondernemen en het faillissement van uw werkgever aan te vragen. Het is namelijk mogelijk dat de werkgever het achterstallige loon toch nog uitbetaald of indien een faillissement van de werkgever wordt uitgesproken het UWV de loonverplichting van de werkgever overneemt.

Het overnemen van de loonverplichting door het UWV is echter niet oneindig en daarom is het belangrijk om op tijd aan de bel te trekken. Wanneer het UWV de loonverplichting overneemt, betaalt zij het achterstallige loon over ten hoogste de dertien weken voorafgaand aan het faillissement. Daarnaast betaalt zij maximaal zes weken na het faillissement het loon door.

Wanneer er te lang wordt gewacht met het aanvragen van een faillissement dan neemt het UWV de (volledige) loonverplichting niet over en zult met een loonvordering op uw werkgever achterblijven. Deze loonvordering wordt dan (eventueel) pas ontvangen nadat het gehele faillissement is afgewikkeld. Om niet maandenlang zonder inkomen te zitten is het dus van belang dat u op tijd deskundige hulp inschakelt.

Een faillissementsaanvraag moet altijd door een advocaat worden gedaan. De advocaat doet dit door een verzoekschrift tot faillietverklaring van de werkgever bij de rechtbank in te dienen. Voor het indienen van een verzoekschrift tot faillietverklaring moet altijd het bestaan van ten minste nog één andere schuldeiser aannemelijk gemaakt worden. Vaak zal dit een collega zijn die ook geen salaris heeft ontvangen. Verder is een gespecificeerde opgave van de openstaande vordering nodig.

Als u uw loon niet tijdig heeft ontvangen, neem dan contact op met Stad Advocaten. Wij kunnen u helpen bij het vorderen van het achterstallige loon en in het geval uw werkgever in financiële problemen verkeert en uw loon niet meer betaalt, kunnen wij voor u een faillissementsaanvraag indienen. Hiermee voorkomt u dat u voor langere tijd zonder inkomen zit.

Beëindigingszitting schuldsanering; wat nu?

Soms zit het u niet mee in het leven en krijgt u de ene tegenslag na de andere, vaak met financiële consequenties tot gevolg. Soms is de ontstane situatie zelfs zo erg dat u zonder hulp uw schulden niet meer binnen een periode van drie tot vijf jaar af kunt lossen. Er is sprake van ‘problematische schulden’. Om u te helpen bestaat de mogelijkheid tot toelating tot de regeling in de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP), ook wel schuldsanering genoemd. Na het succesvol afronden van dat traject bent u schuldenvrij en kunt u starten met een ‘schone lei’. 

Het komt echter regelmatig voor dat het traject niet geheel volgens ‘het boekje’ verloopt. In dat geval kan de rechter-commissaris of de bewindvoerder, die toezicht houden op het schuldsaneringstraject, de rechtbank verzoeken om uw schuldsanering voortijdig te beëindigen. Na het tussentijds beëindigen van de schuldsanering blijven uw schulden bestaan en dient u alsnog al uw schulden die u had af te lossen.. Ook wordt u de komende tien jaar niet weer tot de schuldsanering toegelaten. Het is dus van belang dat u strikt aan al uw verplichtingen in de schuldsanering voldoet.

Is het u toch niet gelukt om aan al uw verplichtingen te voldoen en is er daarom een zitting gepland om uw schuldsanering te beëindigen, dan betekent dat, gelukkig voor u, niet altijd dat de schuldsanering ook daadwerkelijk wordt beëindigd. Er zijn uitzonderingen mogelijk.

Beëindigingsgronden schuldsanering

Het doel van de schuldsanering is dat u in drie of vijf jaar zoveel mogelijk geld spaart voor uw schuldeisers. Op die manier worden zij nog enigszins betaald voor de schulden die u bij hen heeft. Het onbetaalde deel zullen zij na het afronden van de schuldsanering nooit meer krijgen. De regeling is daarom zeer streng. Er wordt veel van u verwacht.

Voldoet u daarom niet aan de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling dan kan deze worden beëindigd. De redenen daarvoor zijn onder andere dat:

  • u uw (inlichtingen- en/of sollicitatie-) verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet nakomt;
  • u op een andere manier niet meewerkt aan het slagen van de schuldsaneringsregeling;
  • u nieuwe schulden maakt.

Uitzondering op de beëindigingsgronden

Is er sprake van één van deze beëindigingsgronden, dan hoeft dat niet altijd te leiden tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Dat is bijvoorbeeld het geval indien u er niets aan kunt doen dat u niet aan alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling voldoet. In dat geval zou het voor u onredelijk zijn om de schuldsanering te beëindigen. U blijft dan immers verplicht alle (hoge) schulden te voldoen.

De Hoge Raad, onze hoogste rechter, heeft daarom bepaald dat u een verwijt gemaakt moet kunnen worden voordat de schuldsanering mag worden beëindigd. Dat is bijvoorbeeld veelal niet het geval als u kampt met ernstige psychische problemen. In dat geval kan van u niet gevraagd worden dat u strikt aan al uw verplichtingen voldoet. In zo’n geval is beëindiging van de schuldsanering een te zwaar middel.

Slotsom

Het schuldsaneringstraject is een zwaar traject waarbij veel van u wordt verwacht. Als u niet aan de verplichtingen van dat traject kunt voldoen, dan kan de schuldsaneringsregeling worden beëindigd. U dient dan alsnog al uw schulden in zijn geheel te voldoen. Niet iedere schending van uw verplichtingen kan echter leiden tot beëindiging van uw schuldsanering. Het schenden van de verplichtingen moet u wel verweten kunnen worden.

 

Heeft uw bewindvoerder of de rechter-commissaris de rechtbank daarom gevraagd om uw schuldsanering te beëindigen? Laat u dan snel adviseren over of die beëindiging terecht is. Dat kan u mogelijk een hoop ellende besparen.

 

Behoefte van de kinderen bij een uithuisplaatsing

Na een verbreking van de relatie waaruit kinderen zijn geboren zijn ouders gehouden om bij te dragen in de kosten van de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Standaardregel is dat de ouder bij wie de kinderen niet op het adres staan ingeschreven kinderalimentatie betaalt aan de ouder bij wie de kinderen wel staan ingeschreven. Die laatste ouder wordt gezien als de verzorgende ouder. Maar hoe zit het met een uithuisplaatsing?

De kinderalimentatie wordt berekend aan de hand van het totale inkomen (gezinsinkomen) dat ouders genoten in de jaren voorafgaande aan het verbreken van hun relatie en samenwoning en het inkomen dat zij op het moment van de berekening hebben. Met het gezinsinkomen wordt aan de hand van een behoeftetabel de behoefte van de kinderen berekend. De gedachte hierachter is dat een kind na de verbreking van de relatie van zijn of haar ouders niet financieel slechter af mag zijn.

Wat nu als er sprake is van een uithuisplaatsing? Zijn de ouders dan nog gehouden om bij te dragen in de kosten van de opvoeding en verzorging. De kinderen wonen immers niet meer thuis en ouders hebben feitelijk weinig tot geen kosten. De pleegouder bij wie de kinderen na de uithuisplaatsing wonen ontvangt een pleegzorgvergoeding. De hoogte van die pleegzorgvergoeding wordt in beginsel kostendekkend geacht voor de kosten van de opvoeding en verzorging van de kinderen.

Het is inmiddels vaste rechtspraak dat de behoefte van de kinderen die uit huis geplaatst zijn wordt begrensd tot de kosten die de verzorgende ouder daadwerkelijk maakt. De behoeftetabel waarmee de behoefte van de kinderen voorheen werd berekend blijft in dat geval buiten toepassing. Dat betekent ook dat de gedachte van de kinderalimentatie (niet financieel slechter af zijn) tijdens de uithuisplaatsing niet geldt. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in haar beschikking van 17 december 2019 daarbij aanvullend aangegeven dat “voor de vaststelling van de omvang van de behoefte van de minderjarige mag van de (oorspronkelijke) verzorgende ouder worden gevergd dat hij of zij alle kosten aannemelijk maakt die voor de minderjarige worden uitgegeven”. Omdat de pleegzorgvergoeding kostendekkend wordt geacht, zal van een aanvullende behoefte alleen sprake zijn in geval van een hoog voormalig gezinsinkomen of een situatie waarin er voor de kinderen uitzonderlijk veel kosten werden gemaakt. Het is aan de verzorgende ouder om dat te stellen en aannemelijk te maken.

Indien uw kinderen om welke reden dan ook uit huis worden geplaatst en u aan uw ex-partner kinderalimentatie betaalt. Dan loont het om contact met ons kantoor op te nemen en u te laten voorlichten over de vraag of u nog gehouden bent om kinderalimentatie te betalen.

Spookbewoning: een gebrek

Twee huurders kwamen bij mij met een beschikking van de Belastingdienst. Zij moesten een bedrag aan huurtoeslag terugbetalen. De reden was dat de verhuurder nog stond ingeschreven in het gehuurde. Het gezamenlijk inkomen was daardoor te hoog om in aanmerking te komen voor huurtoeslag. Dit kwam enkel door het inkomen van de verhuurder. De verhuurder woonde echter feitelijk in het buitenland. De huurders vertelden dat zij bij aanvang met de tussenpersoon van de verhuurder hadden gesproken over de mogelijkheid van huurtoeslag, waardoor zelfs de kale huurprijs verlaagd was. Reden genoeg om een procedure te starten tegen de verhuurder, en met succes.

In een arrest van 14 mei 2019 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2019:4150) oordeelde het Hof dat een spookbewoner in het gehuurde een gebrek kan opleveren als bedoeld in artikel 7:204 BW. De verhuurder was in dit geval de spookbewoner, omdat hij nog als bewoner op het adres ingeschreven stond, terwijl hij daar feitelijk niet woonde. Dit leidde ertoe dat de huurders geen recht hadden op huurtoeslag, omdat het inkomen van de verhuurder werd meegenomen. Dit leidt tot beperking van de rechten van de huurders en vormt dan een omstandigheid waardoor zij niet het vrije genot van het gehuurde hebben gekregen dat zij bij het aangaan van de huurovereenkomst mochten verwachten. De huurders ontvingen op deze manier alsnog de niet ontvangen huurtoeslag van de verhuurder.

De arresten

De woning van de verhuurder stond te koop, vanwege een verhuizing naar het buitenland. In afwachting van de verkoop heeft de verhuurder besloten om de woning te gaan verhuren. Na bemiddeling van een tussenpersoon, heeft de verhuurder met zijn huurders een huurovereenkomst gesloten voor de duur van één jaar. De huurovereenkomst is voor bepaalde tijd aangegaan van 1 maart 2013 tot en met 28 februari 2014. Over deze periode hebben de huurders huurtoeslag bij de Belastingdienst aangevraagd en gekregen. Geruime tijd later ontvingen de huurders een brief van de Belastingdienst waaruit volgde dat zij de huurtoeslag terug dienden te betalen. De reden hiervoor was dat de verhuurder tot 22 november 2013 ingeschreven stond als bewoner van het gehuurde, waardoor het gezamenlijk inkomen te hoog was om in aanmerking te komen voor huurtoeslag.

De huurders wilden het bedrag dat zij aan de Belastingdienst dienden terug te betalen, verhalen op de verhuurder, omdat hun gezamenlijk inkomen wel voldeed aan de voorwaarden om huurtoeslag te krijgen. De inzet van de procedure bij de rechtbank is gebaseerd op de schadevergoedingsverplichting van de verhuurder wegens een gebrek.

De kantonrechter ging niet mee in het verhaal van de huurders. De kantonrechter overwoog dat niet van de verhuurder verwacht mocht worden dat hij zich uitschreef uit de basisregistratie. De tijdelijke huurovereenkomst was aangegaan, omdat de verhuurder nog niet zeker wist of hij zich wilde vestigen in het buitenland. Nu de verhuurder het gehuurde in eerste instantie aanhield als postadres, en de huurders ook daadwerkelijk post van hem ontvingen, hadden de huurders volgens de kantonrechter moeten weten (of moeten begrijpen) dat de verhuurder het beeld opwierp dat hij nog woonde op het verhuurde adres.

Doordat de huurders naar mening van de kantonrechter niet voldoende hadden aangetoond dat de verhuurder wist dat het verkrijgen van huurtoeslag voor hun relevant was en de verhuurder bovendien had betwist dat hier bij het aangaan van de huurovereenkomst over gesproken zou zijn, werden de vorderingen van de huurders afgewezen.

Het Hof dacht hier echter anders over en oordeelde het volgende. Wanneer een huurder woonruimte huurt met een huurprijs beneden de subsidie- of toeslaggrens, hoeft de huurder er volgens het hof in beginsel niet op bedacht te zijn dat hij geen gebruik kan maken van algemene inkomensvoorzieningen (zoals huurtoeslag), omdat de verhuurder nog als bewoner op het adres ingeschreven staat. Het hof overwoog dat een dergelijke ‘spookbewoner’ in het gehuurde onder omstandigheden kan leiden tot een beperking van de rechten van een huurder. Deze omstandigheid kan ertoe leiden dat de huurder niet het vrije genot van het gehuurde heeft gekregen dat hij bij aanvang van de huurovereenkomst mocht verwachten. Onder verwijzing naar het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 11 maart 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:2004), stelt het hof vervolgens dat deze omstandigheid een huurrechtelijk gebrek kan opleveren.

Het Hof liet de verhuurder toe bewijs te leveren dat door de tussenpersoon met de huurders besproken is, vóór het aangaan van de huurovereenkomst, dat de verhuurder op het adres van het gehuurde ingeschreven zou blijven staan. De verhuurder koos ervoor een schriftelijke verklaring te overleggen van de tussenpersoon, waaruit voorgaande echter niet duidelijk blijkt. De verhuurder slaagt dan ook niet in de bewijsopdracht. In het arrest van 24 september 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:7809) oordeelt het Hof dan ook dat de verhuurder de door de huurders geleden schade dient te vergoeden.

 

De wijzigingen betreffende de transitievergoeding

Zoals wij in een eerdere blog al schreven, betreft één van de wijzigingen die de nieuwe WAB met zich zal brengen, de berekening van de transitievergoeding. Vanaf 1 januari 2020 zullen werknemers vanaf hun eerste werkdag recht hebben op een transitievergoeding; dus ook tijdens de proeftijd!

De opbouw van de transitievergoeding wordt vanaf 1 januari 2020 ook voor iedereen gelijk: 1/3 maandsalaris voor elk gewerkt jaar.

Stel, een werknemer heeft een arbeidsovereenkomst van zes maanden met een salaris van € 2.160,- bruto, inclusief 8% vakantietoeslag. Wanneer de werkgever besluit de arbeidsovereenkomst na zes maanden niet te verlengen, krijgt de werknemer recht op een transitievergoeding van 1/3e maandsalaris per jaar. Nu de werknemer maar zes maanden heeft gewerkt, heeft hij recht op 50% van 1/3 maandsalaris. Dit houdt in 1/6e maandsalaris van € 2.160,- bruto = € 360,- bruto.

Tot 1 januari 2020 is de opbouw van de transitievergoeding 1/3e maandsalaris per gewerkt jaar en na tien gewerkte jaren 1/2e maandsalaris per gewerkt jaar. Deze berekening komt dus te vervallen.

Tevens zullen twee tijdelijke regelingen komen te vervallen; werknemers van 50 jaar en ouder met een dienstverband van tenminste tien jaren hebben vanaf 1 januari 2020 geen recht meer op een hogere transitievergoeding. Daarnaast zal de regeling, waarmee een werkgever met minder dan 25 werknemers (de kleine werkgever) een beroep kan doen op de overbruggingsregeling in het geval hij een werknemer ontslaat als gevolg van een slechte financiële situatie, komen te vervallen.

Door de uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2019 kunnen werknemers met een slapend dienstverband de werkgever verzoeken de arbeidsovereenkomst te beëindigen en kunnen zij aanspraak maken op een transitievergoeding. Voor een werknemer van 50 jaar of ouder met een slapend dienstverband is het van belang om voor 1 januari 2020 aanspraak te maken op de hogere transitievergoeding, nu de vergoeding na 1 januari 2020 lager zal uitvallen.

Op grond van de Wet compensatieregeling transitievergoeding kunnen werkgevers vanaf 1 april 2020 compensatie aanvragen voor de betaalde transitievergoeding aan een werknemer van wie het (slapend) dienstverband is beëindigd na twee jaar ziekte.

Deze compensatie geldt voor alle dienstverbanden die vanaf 1 juli 2015 zijn beëindigd vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid.

Inmiddels hebben wij voor meerdere werknemers met een slapend dienstverband aanspraak gemaakt op de transitievergoeding. We hebben geregeld dat het dienstverband is beëindigd en een transitievergoeding is voldaan. Zit u nog met een slapend dienstverband en wilt u ook aanspraak maken op een transitievergoeding, dan kunt u contact opnemen met een van onze arbeidsrechtadvocaten.

Mag de burgemeester mijn woning ‘zomaar’ sluiten na drugsvondst?

Het nieuwsmedium NU.nl kopte op 14 november 2019 dat er in Nederland in 2018 zeker 1.250 panden zijn gesloten door de burgemeester. Ongeveer driekwart (!) daarvan was een woning. Een enorm aantal met grote gevolgen voor de bewoners. Vooral als u zich bedenkt dat het veelal huurwoningen betreft. Naast dat de woning tijdelijk wordt gesloten door de burgemeester zal de verhuurder in de meeste gevallen ook de huurovereenkomst beëindigen. Het gevolg: u heeft door de maatregel tot tijdelijke sluiting helemaal geen dak meer boven uw hoofd. U zult zich daarom wellicht afvragen, mag dat zomaar allemaal?

Artikel 13b Opiumwet

De burgemeester kan op basis van artikel 13b Opiumwet een woning sluiten indien in de woning drugs wordt verkocht, afgeleverd of wordt verstrekt (of daarvoor in de woning aanwezig is). Bij de aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs in de woning, wordt aangenomen dat daarvan sprake is. De enkele aanwezigheid van die hoeveelheden hard- en/of softdrugs hoeft alleen niet tot sluiting te leiden. De burgemeester moet daarvoor een belangenafweging maken. Hij kan de woning sluiten, maar hoeft dat niet te doen. Hij moet daarom eerst toetsen of sluiting van de woning hier wel de aangewezen maatregel is.

Belangenafweging bij woningsluiting

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste rechter die over woningsluitingen oordeelt, heeft dit jaar nog een overzicht gegeven van de omstandigheden waaraan de burgemeester moet toetsen voordat hij de woning mag sluiten (ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912). Pas op het moment dat de sluitingsbevoegdheid op basis van die omstandigheden redelijk is, mag de burgemeester ook daadwerkelijk tot sluiting overgaan.

Omstandigheden die worden meegewogen zijn bijvoorbeeld:

  • of de sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en herstel van de openbare orde;
  • de hoeveelheid en de soort van de aangetroffen drugs (bij een geringe hoeveelheid softdrugs is een waarschuwing eerder gerechtvaardigd (dan sluiting), dan bij een handelshoeveelheid harddrugs);
  • of er sprake is van recidive;
  • de plaats van de woning (betreft het al een kwetsbare woonwijk met veel drugscriminaliteit of niet);
  • of daadwerkelijk vanuit de woning wordt verhandeld of dat er juist geen ‘loop’ naar de woning is;
  • wist de eigenaar/bewoner van de woning van de aangetroffen drugs of was de eigenaar/ bewoner totaal niet op de hoogte daarvan;
  • de gevolgen die de sluiting voor de bewoner heeft, zoals plaatsing op een zwarte lijst bij de woningbouwverenigingen;
  • de aanwezigheid van minderjarige kinderen in de woning.

Slotsom

De burgemeester mag dus niet ‘zomaar’ tot sluiting van uw woning overgaan als daarin drugs worden gevonden. Hij moet daarvoor eerst toetsen of de sluiting in uw situatie de passende maatregel is of dat hij ook kan volstaan met een lichtere maatregel, zoals een waarschuwing. Als dat laatste het geval is dan mag uw woning niet worden gesloten! Wordt u daarom geconfronteerd met een woningsluiting? Laat u dan snel adviseren over uw mogelijkheden. De advocaten van Stad Advocaten helpen u graag.

 

Na de feestdagen volgt de scheiding

De feestdagen staan weer voor de deur. Voor veel mensen een periode waar al lang van tevoren naar wordt uitgekeken: eindelijk een paar dagen vrij na die altijd maar weer hectische periode zo aan het einde van het jaar, eindelijk weer samen zijn met familie en vrienden en genieten van elkaar en alle lekkere dingen die tijdens de feestdagen zoal op tafel komen.

Maar wat als deze verwachtingen toch niet uitkomen? Wat als dat samen zijn toch anders uitpakt en hierdoor de vervelende gewoontes van de ander weer gaan opvallen? Of: wat als de extra vrije dagen ervoor zorgen dat er ruimte ontstaat om na te gaan denken over de toekomst?

Voor veel stellen zijn de langverwachte feestdagen dan opeens het begin van het einde: het begin van een echtscheiding.

Als u zelf besluit om een punt achter uw relatie of huwelijk te zetten of als u geconfronteerd wordt met een dergelijke beslissing van uw partner, dan doet u er goed aan om deskundig advies in te winnen over en om u goed bij te laten staan in deze situatie.

Hierbij kunnen wij u behulpzaam zijn.

Er zal veel op u afkomen. Een echtscheiding of relatiebreuk brengt immers veel veranderingen met zich mee en dus moeten er ook veel beslissingen worden genomen: emotionele beslissingen, praktische beslissingen, financiële beslissingen maar vooral ook juridische beslissingen.

Wij kunnen u van juridisch advies voorzien over de gevolgen van een (echt)scheiding en over de bij uw situatie passende aanpak. Wij kunnen samen met u bekijken wat er op het juridische vlak geregeld moet worden en dus welke stappen er doorlopen moeten worden.

Neem dus gerust contact met ons op en maak een afspraak!

Is de verstandhouding met uw aanstaande ex-partner overigens nog goed genoeg en is er nog voldoende vertrouwen in elkaar dan kunt u uiteraard ook samen bij ons komen om de echtscheiding regelen.